klein lettertype groot lettertype groter lettertype
 De verplichte bodemstaalnames in het kader van diverse regelgevingen bieden een aantal kansen
Minimize

Vandaag de dag wordt de land- en tuinbouwer verplicht om een aantal staalnames uit te voeren om zich in regel te stellen voor MTR-premies en/of derogatie. Mits een goede opvolging biedt deze verplichting een aantal kansen.

1. Basis bodemvruchtbaarheid en standaardgrondontleding

Iedere teler wenst de beste bodemvruchtbaarheid van zijn percelen. Maar het is niet steeds duidelijk wat dit betekent. Daarom overlopen we hierna kort enkele belangrijke parameters.

De zuurtegraad of pH

De pH van de bodem is een van de belangrijkste parameters voor een goede bodemvruchtbaarheid.

Als de pH te laag is betekent dit dat de bodem te zuur is en:

  • wordt de wortelontwikkeling sterk bemoeilijkt,
  • wordt fosfor vastgelegd in de bodem,
  • spoelt magnesium sneller uit,
  • wordt de opname van nitraat door de teelt beperkt,
  • ontstaat een slechte bodemstructuur.

Praktisch gezien heeft dit voor gevolg dat:

  • er problemen zijn met kieming en opkomst van een aantal teelten,
  • er productieverliezen zijn,
  • structuurproblemen ten gevolge van veldwerkzaamheden in natte omstandigheden sneller zichtbaar worden in de teelt,
  • er meer problemen voorkomen van kopziekte of grastetanie bij het rundvee,
  • de waarden van nitraatresidu hoger zijn in het najaar.

Als de pH te hoog is dan:

  • wordt fosfor vastgelegd in de bodem en is de plantopname ervan beperkt,
  • wordt de opname van een aantal spoorelementen zoals ijzer, mangaan, boor bemoeilijkt.

Praktisch gezien veroorzaakt dit:

  • groeivertraging voor diverse teelten,
  • productieverlies,
  • problemen met vruchtbaarheid bij het vee, ondermeer door gebrek aan opneembaarheid van mangaan.

Een overzicht van alle standaardbodemanalyses in Vlaanderen toont aan dat:

  • voor akkerbouw gemiddeld 40% van de percelen een tamelijk lage tot lage pH heeft en 21% een tamelijk hoge tot hoge pH;
  • voor weidestalen gemiddeld 19% van de percelen een te lage pH heeft en 45% een tamelijk hoge tot hoge pH.

Hieruit volgt dat slechts 1/3 van de percelen een pH-niveau heeft dat overeenkomt met de streefzone.

Bij de standaardgrondontleding wordt door de Bodemkundige Dienst, op basis van de gemeten pH, de in het labo bepaalde grondsoort en het C-gehalte van de bouwlaag van het perceel, voor de specifieke teelt (gedurende 3 jaar) een bekalkingsadvies voor dit perceel opgesteld.

Het C-gehalte of humusgehalte

De analyses van de Bodemkundige Dienst op de Vlaamse bodems tonen aan dat in de loop van de voorbije 20 jaar het koolstof- of humusgehalte van de percelen verder gedaald is.

Een beter humusgehalte van de bodem:

  • zorgt voor een goede bewerkbaarheid en doorworteling van de bodem,
  • houdt de nutriënten beter beschikbaar in de bodem, zodat we minder moeten bemesten,
  • stelt in de loop van het seizoen meer nitraat vrij door mineralisatie, zodat er minder stikstof moet toegediend worden aan de teelt,
  • zorgt voor een beter vochthoudend vermogen van de bodem.

Bij de standaardgrondontleding van de Bodemkundige Dienst wordt op basis van het C-gehalte een berekening gegeven van de jaarlijkse afbraak aan organische stof, zodat de teler de nodige maatregelen kan nemen om het gehalte op peil te houden.

Voor de MTR-regelgeving moeten pH en C-gehalte gemeten worden, voor derogatie moet het fosfaatgehalte gemeten worden.

Terwijl een verplichte staalname en analyse gebeurt van de pH, het C-gehalte, en fosforgehalte, is het aangewezen om terzelfdertijd de gehalten aan magnesium, kalium en natrium mee te meten via de standaardgrondontleding, eventueel aangevuld met de bepaling van zwavel, koper, kobalt en boor.

Op deze manier krijgt de teler een goed inzicht in de algemene bodemvruchtbaarheid van het perceel, en ontvangt hij een compleet bemestingsadvies, met:

  • een correct bekalkingsadvies,
  • een berekening van de hoeveelheid organische stof die jaarlijks moet aangevuld worden om het gehalte van het perceel op peil te houden,
  • een correct bemestingsadvies voor fosfor, kalium, magnesium en natrium.

en kan optimaal, correct en rendabel bemest worden, en dit voor drie opeenvolgende teelten.

2. N-bepaling en N-index

Voor derogatiepercelen is het verplicht om in het voorjaar het nitraatgehalte in de bodem te bepalen, in de lagen 0-30, 30-60 en 60–90 cm diepte.

Deze bepaling geeft belangrijke informatie over de reserve aan nitraat in de bodem in het voorjaar. Deze reserve verschilt sterk van jaar tot jaar en van perceel tot perceel.

De reserve vóór de teelt of bij het begin van de teelt is een eerste belangrijk gegeven om de optimale N-bemesting te bepalen.

De behoefte aan N-bemesting wordt echter beïnvloed door meerdere parameters, zoals:

  • de N-reserve in de bodem in het voorjaar;
  • de mineralisatie van de humus; daarvoor meet de Bodemkundige Dienst zowel het C-gehalte als de pH in de bovenste laag;
  • de mineralisatie van de teeltresten die na de vorige oogst op het veld gebleven zijn, zoals bietenkoppen, spruitenstokken, erwtenloof, …;
  • de mineralisatie van een groenbemester;
  • de mineralisatie van ondergeploegd raaigras;
  • de vrijstelling van stikstof uit de organische mest die gedurende vorige zomer of najaar toegediend werd;
  • de teeltduur en het seizoen waarin de teelt groeit.

De som van deze parameters geeft ons een cijfer dat we N-index noemen, en is een maat voor de stikstofbeschikbaarheid op het perceel.

Een N-bemestingsadvies door de Bodemkundige Dienst, op basis van de bepaling van de N-index, laat toe:

  • een correcte N-bemesting toe te dienen, voor een rendabele productie, met behoud van een optimale kwaliteit van de geoogste producten,
  • in een aantal gevallen te besparen op de aankoop van N-meststoffen,
  • het nitraatresidu bij de oogst te beperken.

Let wel: voor een goed eindresultaat van het nitraatresidu, blijft de behandeling van het perceel na de oogst van groot belang.

3. Voorbeeld: N-bemestingsadviezen voor maïs

Bijgaande figuur geeft de verdeling weer van de N-adviezen van de Bodemkundige Dienst op basis van de N-index, die dit voorjaar reeds opgemaakt zijn. Deze stalen zijn allen genomen op percelen waar in 2009 nog geen bemesting toegediend werd. De adviezen geven de totale behoefte aan werkzame N weer, uit dierlijke mest en kunstmest samen. De grote spreiding in de gegevens toont duidelijk aan dat bemestingsnormen geen bemestingsadviezen zijn.

Figuur: verdeling van de N-bemestingsadviezen voor maïs in België in het voorjaar 2009

Uit het overzicht zien we dat dit jaar 1 maïsperceel op 7 minder dan 100 kg N/ha vraagt en dat bijna 20 % van de percelen een advies heeft gekregen van meer dan 150 kg N/ha.

Op percelen zonder derogatie mag maximaal 170 kg totale N uit organische mest worden toegediend, wat bij optimaal mestgebruik neerkomt op 95 à 105 kg benutbare N/ha. Voor 1 maïsperceel op 7 volstaat dit jaar deze hoeveelheid zonder dat er verder N uit kunstmest moet bijbemest worden.

Op derogatiepercelen ligt de problematiek veel moeilijker. Derogatie verplicht om in het voorjaar eerst een snede gras te oogsten. Bij derogatie kan via dierlijke mest maximaal 250 kg totale N toegediend worden. Dit komt overeen met 130 à 150 kg benutbare N/ha. Op de maïspercelen met een lagere N-behoefte kan een deel van de beschikbare dierlijke mest voor de eerste grassnede worden aangewend.

Op deze derogatiepercelen zijn er voor het stikstofonderzoek meerdere mogelijkheden op vlak van staalnametijdstip. Het derogatiebesluit stelt staalname voor 15 juni. Ofwel wordt in het voorjaar de actuele reserve gemeten ofwel kan ook de meting gebeuren nadat er al dierlijke mest is toegediend. Voor een betrouwbare stikstofmeting moet er op gelet worden dat er steeds minimaal 4 weken is verlopen tussen de laatste bemesting en het nemen van de diepgrondstalen. Als het staal genomen wordt juist voor het maaien van het raaigras krijgt men zicht op hetgeen het gras heeft achtergelaten in het bodemprofiel. Als men het staal neemt 4 weken na de drijfmesttoediening in de gezaaide maïs krijgt men een goed zicht op de stikstofbeschikbaarheid voor de maïs en kan op basis hiervan nog eventueel wat bijgestuurd worden via minerale meststoffen. Ook kan men hieruit veel leren over de te volgen werkwijze in de toekomst.

Besluit

De staalnames die uit verplichting uitgevoerd worden, kunnen veel meer betekenen dan enkel voldoen aan de verplichtingen van de wetgever. Elke analyseverslag met bijhorend advies biedt immers mogelijkheden om de bemesting te optimaliseren en aan te passen aan de behoeften van percelen en teelten op het bedrijf. Het zijn werkinstrumenten die bijdragen tot een optimale bemesting met een optimale opbrengst als doel, en bieden mogelijkheden om het risico op overschrijding van de nitraatnorm zoveel mogelijk te beperken. Elk analyseverslag van bodem of mest kan bijdragen aan het verhogen van de rendabiliteit van de productie op het bedrijf. Het is dan ook de uitdaging als landbouwer om deze mogelijkheden optimaal te benutten.

De staalnemers en adviseurs van de Bodemkundige Dienst staan ten dienste van de telers om hen hierbij te ondersteunen.

Martin Devriendt & Piet Ver Elst,
Bodemkundige Dienst van België vzw

Voor meer info:
Bodemkundige Dienst van België vzw - 3001 Heverlee - tel 016/31 09 22 - Fax 016/22 42 06 - info@bdb.be
Kantoor BDB-West - 8800 Roeselare - tel 051/20 54 00 - fax 051/20 54 20

Bezoekers vandaag: 12284   Aantal bezoekers momenteel on-line: 99